Het Van Wiechenonderzoek

Redactie 6 jun 2018 Baby

Het consultatiebureau ken je waarschijnlijk als de plaats waar je naar toe gaat om je kind te laten wegen, waar je baby zijn eerste prikje krijgt en waar je terecht kunt met vragen over de opvoeding van je kind. Maar ook de groei en ontwikkeling van je kindje worden er bijgehouden. En dit wordt gemeten met het Van Wiechenonderzoek.

Wanneer je je aan het normale consultatiebureauschema houdt, zien de artsen en verpleegkundigen van dit bureau jouw kleintje ongeveer vijftien keer, tussen de leeftijd van nul tot vier jaar. Natuurlijk kun je tijdens die bezoekjes met allerlei vragen bij de consultatiebureau-arts terecht. Maar de arts doet meer. Het consultatiebureau houdt de ontwikkeling van jouw kindje namelijk nauwkeurig bij. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het Van Wiechenonderzoek, dat zich op drie gebieden richt: ‘de fijne motoriek, adaptatie en gedrag’, ‘de grove motoriek’ en ‘communicatie’.

Ontwikkelingsachterstand opsporen

Het Van Wiechenonderzoek wordt door het consultatiebureau gehanteerd om eventuele achterstanden in de ontwikkeling van jouw kind op te sporen. Er wordt bijvoorbeeld gekeken of jouw kindje een lampje of een voorwerp met de oogjes volgt, wanneer het bewogen wordt en er wordt gekeken of het hoofdje meegaat als je het aan de handjes omhoog trekt. Ook andere dingen, zoals het spelen met blokken, het aanpakken van voorwerpen en het vermogen tot omrollen en lopen worden onderzocht.

Van Wiechenschema

Al deze ontwikkelingskenmerken zijn weergegeven in een schema: het Van Wiechenschema. De arts controleert jouw kindje door middel van dit schema op verschillende leeftijden, te weten: 1, 2, 3, 6, 9, 12 en vijftien maanden en bij 2, 3 en 4 jaar. Het laatste onderzoek vindt plaats in groep twee van de basisschool, bij de schoolarts. In totaal wordt jouw kind dus tenminste elf keer aan de hand van dit schema getoetst.
Het schema hanteert de ontwikkeling van de meeste kinderen; zo’n 90% van de kinderen lopen ‘op schema’. Zo’n 10% van de kinderen loopt in de ontwikkeling iets achter ten opzichte van dit schema. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat ze te vroeg geboren zijn. Zo’n achterstand hoeft niet altijd iets te betekenen! Soms is verder onderzoek nodig, maar vaker is het kindje toevallig ietsjes langzamer en trekt dat op latere leeftijd gewoon bij.

Lichamelijk onderzoek

Bij de uiteindelijke beoordeling van de resultaten van jouw kindje zal de arts altijd het lichamelijk onderzoek (zintuigonderzoek, spier-/zenuwstelsel) en de medische voorgeschiedenis van jouw kind (te vroeg geboren, ziekte, ongevallen) laten meewegen. Zo wordt er met alle testresultaten in de hand bekeken of een kindje ‘traag maar normaal’ is, of dat er misschien iets anders aan de hand is, wanneer hij achter loopt op schema. Maar ook wanneer jouw kleintje ‘precies op schema’ loopt zal de arts de andere resultaten erbij pakken. Immers: een kindje dat met vijftien maanden kan lopen, maar daarbij overstrekt en niet symetrisch is, moet ook verder onderzocht worden. En ook wanneer er sprake is van een trillerige handmotoriek of bijvoorbeeld een duidelijk links-rechtsverschil in bijvoorbeeld spierkracht is nader onderzoek nodig.

Te vroeg geboren

Wanneer jouw kind te vroeg ter wereld is gekomen, kan de arts van het consultatiebureau ervoor kiezen om een gecorrigeerde leeftijd aan te houden. Want wanneer hij de kalenderleeftijd aanhoudt bij prematuurtjes, zal hij vrijwel altijd te maken krijgen met kinderen die achter lopen op het Van Wiechenschema. Wanneer hij de leeftijd corrigeert, worden er minder problemen gevonden en ontstaat er over het algemeen minder ongerustheid bij de ouders.

Methode voor prematuren

De meest gevolgde methode voor vroeggeboren kinderen is tegenwoordig het Van Wiechenonderzoek af te nemen vanaf de gecorrigeerde leeftijd naar de kalenderleeftijd. Een kind van drie maanden, dat acht weken te vroeg is geboren, wordt dan getoetst op één maand. Vervolgens wordt gekeken wat een kind al kan van de kenmerken van een kind van twee maanden, en tenslotte ook nog naar drie maanden (de kalenderleeftijd). Van die laatste twee zullen er zeker een aantal kenmerken negatief 'scoren', maar vaak niet allemaal. Door dit consequent bij elk toetsmoment te doen, kun je zien of een prematuur inhaalt, hoeveel en op welke gebieden van ontwikkeling. Overigens gaat men er over het algemeen vanuit dat een kindje tenminste achttien maanden nodig heeft om de ontstane achterstand in te halen, hoewel er zeerzeker positieve uitzonderingen zijn.

Extra alert

Bij te vroege geboren kinderen zal de arts trouwens sowieso extra alert zijn op de vorderingen die het kind maakt, zeker wanneer er geen inhaalontwikkeling te zien is. Sommige te vroeg geboren kinderen die een kenmerk wèl uitvoeren – zoals omrollen, overpakken, los zitten – dit doen dit bovendien wat ‘minder mooi’. Een kinderfysiotherapeut of logopedist kan dan al op jonge leeftijd verrassend werkzaam zijn.
Dit neemt echter niet weg dat er niet altijd reden tot ongerustheid is wanneer een te vroeg geboren kindje iets niet kan op de aanbevolen leeftijd: tenslotte kan tien procent van de ‘normale’ kinderen het op dat toetsmoment ook nog niet.

Reageer op artikel:
Het Van Wiechenonderzoek
Sluiten