Vruchtwaterpunctie

Een vruchtwaterpunctie is net als de vlokkentest een manier om erachter te komen of jouw kindje aangeboren afwijkingen heeft. Deze test wordt in principe alleen gedaan bij vrouwen die ouder zijn dan 35 jaar. Ook wanneer er aangeboren afwijkingen in de familie voorkomen, kan ervoor gekozen worden een punctie te doen.

Bij een vruchtwaterpunctie – in officiële termen een amniocentese – wordt via een naald een beetje vruchtwater uit de baarmoeder gehaald. Cellen uit dit vruchtwater worden onderzocht op een eventuele chromosoomafwijking, zoals bij voorbeeld het Downsyndroom. Bij vruchtwateronderzoek kan ook worden gekeken naar het eiwit alfafoetoproteïne (AFP). Een te grote aanwezigheid van dit eiwit kan wijzen op een aangeboren afwijking zoals een open ruggetje. Soms wordt er automatisch onderzoek naar de hoeveelheid eiwit gedaan, soms wordt er toestemming gevraagd. Vraag dus aan je specialist of ze ook naar het AFP-gehalte kijken. Een vruchtwaterpunctie wordt rond de zestiende week uitgevoerd. Je hoeft voor deze ingreep geen volle blaas te hebben.

Hoe werkt het?

Nadat je buik ontsmet is wordt er echoscopisch gekeken wat de juiste plaats is voor het inbrengen van de naald via de onderbuik. Over het algemeen krijg je bij een vruchtwaterpunctie geen plaatselijke verdoving, omdat de naald van de verdoving even pijnlijk is als de prik van de naald waarmee het vruchtwater wordt opgezogen. De hoeveelheid vruchtwater die de specialist opzuigt, is 15 tot 20 ml, ongeveer 10-15% van de totale hoeveelheid vruchtwater. Vruchtwater wordt vrij snel weer aangemaakt, dus je hoeft niet bang te zijn dat jouw kind straks iets tekort komt.

Het opzuigen van het vruchtwater duurt nog geen halve minuut. De prik kan even wat pijn geven, maar die pijn verdwijnt zodra de naald ver genoeg is ingebracht. Na de punctie kun je een paar dagen last hebben van een trekkend gevoel, een beetje ‘menstruatie-achtig’. Ook kan de prikplek iets pijnlijk zijn. Deze klachten zijn meestal na een dag of twee verdwenen.
Soms lukt het niet om voldoende vruchtwater af te nemen. Er kan dan op een andere plaats geprikt worden. In enkele gevallen besluit de specialist om de punctie op een later tijdstip over te doen.

Injectie anti-D

De rhesusfactor is een stof die in het bloed aanwezig kan zijn. Wanneer jij rhesus-negatief bent, dan is het mogelijk dat je afweerstoffen maakt tegen rhesus-positief bloed van je ongeboren baby, als dat in jouw bloed terecht komt. Jouw kind kan rhesus-positief bloed hebben als de vader rhesus-positief is. Tijdens een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie kan er wat bloed van de baby in jouw bloed terecht komen. Vrouwen die rhesus-negatief zijn krijgen daarom na afloop van de punctie een prik met anti-D in het bovenbeen of de bil. Dit verkleint de kans dat je antistoffen aanmaakt die je kind ziek kunnen maken. Als je zeker weet dat de vader van je kind rhesus-negatief is, kun je met de deskundige overleggen of deze injectie overgeslagen kan worden.

Uitslag & betrouwbaarheid

De uitslag van een vruchtwaterpunctie is meestal met een week of drie bekend. Het is een beetje afhankelijk van de kweekperiode die nodig is. De uit het vruchtwater afkomstige cellen worden namelijk op kweek gezet, zodat zij zich vermeerderen. De kweekperiode die nodig is, wisselt per persoon.
Een vruchtwaterpunctie is iets betrouwbaarder dan een vlokkentest. Als er voldoende vruchtwater is afgenomen, kan er vrijwel altijd een betrouwbare uitslag van het chromosoomonderzoek worden gegeven. Slechts af en toe kunnen de chromosomen niet onderzocht worden, iets dat meestal na tien dagen duidelijk is. In dat geval kan het noodzakelijk zijn de vruchtwaterpunctie over te doen.

De nadelen

Het risico van een late miskraam als gevolg van een vruchtwaterpunctie is nog geen 1%. Dit is dus iets kleiner dan het risico van een vlokkentest en ook de betrouwbaarheid van een vruchtwaterpunctie is iets groter. De reden dat er toch vaak voor een vlokkentest wordt gekozen, is het feit dat de vruchtwaterpunctie later in de zwangerschap wordt afgenomen. Omdat de vlokkentest eerder in de zwangerschap wordt gedaan en de uitslag eerder bekend is, kan bij een ongunstige uitslag de zwangerschap vaak worden afgebroken door middel van een vacuüm-curettage. Dit is een ingreep waarbij de baarmoeder met een dun slangetje wordt leeggezogen. Bij een onderzoek in de zestiende week, zoals de vruchtwaterpunctie, is de zwangerschap voor je omgeving vaak al zichtbaar. Vragen uit je omgeving zijn dan ook onvermijdelijk. Bovendien voelen sommige vrouwen rond de zestiende week al leven, wat het niet gemakkelijker maakt een beslissing te nemen over eventuele afbreking van de zwangerschap als de uitslag niet zo positief is als je hoopte. Na een vruchtwaterpunctie kan het afbreken van de zwangerschap bovendien alleen maar plaatsvinden door het opwekken van een voortijdige bevalling. Overigens biedt het opwekken van een voortijdige bevalling je ook de mogelijkheid om afscheid van je kindje te nemen, iets wat sommige vrouwen juist weer als troostend ervaren.

Moeilijke keuzes

Onderzoek door middel van de vruchtwaterpunctie wordt in Nederland alleen gedaan – en vergoed – als je in de achttiende week 35 jaar of ouder bent. Prenatale onderzoeken zijn niet verplicht. Je bent dus zelf degene die beslist of je er wél of niet aan mee wilt werken. Elk onderzoek heeft voor- en nadelen. De beslissing om het wel of niet te doen is dan ook niet altijd even gemakkelijk. Want als je het onderzoek laat doen, moet je eigenlijk ook de keuze maken over wat te doen als het mis blijkt te zijn: de zwangerschap uitdragen of niet. Hulpverleners gaan er meestal vanuit dat je bij een ongunstige uitslag zult overwegen de zwangerschap te laten afbreken. Maar de uiteindelijke beslissing ligt altijd bij de ouders. Neem de tijd om er goed over na te denken. Jouw persoonlijke levensopvattingen en leefsituatie zullen hier ongetwijfeld ook een grote rol bij spelen. En bedenk dat er geen goede en foute keuzes zijn, maar alleen keuzes die bij jou passen.

Reageer op artikel:
Vruchtwaterpunctie
Sluiten